In een ogenblik

31 jan

In een ogenblik

Ik open de deur. Samen met twee andere mensen stap ik de onaangenaam felverlichte, niet al te grote ruimte in. Binnen is het muf. Ik verlang, ondanks de regen, direct terug naar de frisse buitenlucht.

Een groep van minstens twintig mensen wacht ons op. Enkele van hen kijken ons bij binnenkomst kort aan, maar het merendeel gunt ons geen blik waardig. Ik weet dat zij, zonder uitzondering, in meer of mindere mate psychische klachten kennen.
 
Ik besluit plaats te nemen op de enige vrije stoel in de ruimte, naast een jongen die ik hoogstens veertien jaar oud schat. Hij heeft bijzondere, rossig gekleurde krulletjes en een gezicht vol sproeten. De sweater van de jongen heeft dezelfde kleur als zijn heldergroene ogen waar ik kort een glimp van opvang als ik plaatsneem op mijn stoel. Nieuwsgierig probeer ik oogcontact te maken, maar de jongen houdt zijn ogen star omlaag gericht.
 'Psychiatrisch onderzoek: vermijdend oogcontact, gebrek aan wederkerigheid in het contact', aldus mijn mentale kanttekening als arts in opleiding tot psychiater.

Ik kijk om me heen. Ook bij de andere aanwezigen constateer ik afwijkingen bij het psychiatrisch onderzoek. Hun bewustzijn is vernauwd, de aandacht is slecht te trekken en te behouden, er is geen ziektebesef. Hun stemming lijkt somber, hun affect vervlakt. Niemand lacht, niemand geniet, en niemand lijkt gelukkig.
 
Somber, alsof ik aangestoken ben, kijk ik uit het inmiddels beslagen raam. Ik voel me vaaglijk gesteund door de neerdalende regen, alsof de wereld even met mij mee treurt.
Ik maak me zorgen. De symptomen zijn ernstig.

Ik besluit niemand te belasten met een specifieke diagnose, maar de omvang en ernst van de verslavingsproblematiek waar deze groep mee kampt, is zodanig dat ik deze niet kan negeren. Overtuigd dat verslavingsgedrag voortkomt uit de behoefte een onveilige werkelijkheid te ontvluchten, weet ik ook dat ontlopen van de realiteit het niet zal veranderen, noch laat verdwijnen.
Ik kijk daarom van het in wezen mooie kind dat naast mij zit, naar de schoonheid van de regen buiten. In zulke schoonheid ligt het antwoord. Ik droom weg…
 
De telefoon van het roodharige kind gaat af. Eindelijk reageert hij ergens op. Ook ik word teruggehaald naar de werkelijkheid: de trein, vol niet officieel gediagnosticeerde psychiatrische patiënten, raast verder. En helaas moet ook ik mijn verslaving erkennen als ik mijn iPhone pak. 
Ik schrijf een verhaaltje en post het online.
Wellicht dat ik zo contact kan krijgen met de mensen om mij heen.

 

Deel deze post op:

Reactie toevoegen